Toen het Nieuwsblad van het Noorden op 26 mei 1964 het bezoek van een Arabische sjeik aan Den Haag aankondigde, hadden lezers van kranten een ander beeld van zo’n heer als tegenwoordig. Men kende de sjeik meestal alleen uit Hollywoodfilms als een niet al te serieus genomen, maar gastvrije en levenslustige man, die niet gebukt leek te gaan onder het hebben van meerdere echtgenotes. Pas tijdens de oliecrisis in de jaren zeventig veranderde het beeld van de vrolijke Hollywoodsjeik in dat van de meer serieus te nemen oliesjeik.

De sjeik die in 1964 Den Haag aandeed was geen oliesjeik. De 72-jarige Soeleiman Daher kwam uit het kleine emiraat Ras al-Khaima (spreek ‘kh’ uit als ‘g’), dat een van de armere delen van de Trucial States (Verdragsstaten) was. Het staatje werd financieel gesteund door Abu Dhabi, Koeweit en het Verenigd Koninkrijk. De emiraten zouden na hun snel naderbij komende onafhankelijkheid moeten opgaan in een groter verband met Koeweit, maar sjeik Daher was het niet eens met dit plan van zijn emir. Daher ging naar Londen voor politieke steun en hij reisde zoals een Nederlandse sjeik dat zou doen: zuinigjes met auto en tent. De groep van tien volwassenen en tien kinderen ging met de boot via Istanbul en Italië. Hoe lang hij in Engeland verbleef is niet bekend, maar op 4 juni arriveerde hij vrij onverwacht in alle vroegte in Hoek van Holland aan. Het gezelschap werd ontvangen door toegestroomde fotografen en journalisten en ook ’s avonds, toen de sjeik aankwam bij de moskee aan de Haagse Oostduinlaan, wachtten fotografen en journalisten hem op. De sjeik verklaarde aan de pers dat zijn bezoek aan Engeland goed was verlopen. Hij ging tevreden naar huis, maar onderweg wilde hij zijn tweede favoriete Europese land nog zien, met Amsterdam en de tulpen. Het ging hem niet om de Hollandse zomerstampot, want in de moskee at hij die avond ‘rijst met kerrie’. Toen hij de tenten liet opzetten in de tuin van de moskee verwees de politie hem naar het gemeentelijke kampeerterrein Ockenburgh. Daar was nog plaats genoeg en de campingbeheerder kwam zijn nieuwe gasten hoogstpersoonlijk halen.

De rust voor de campinggasten was toen voorbij. Journalisten en fotografen moesten op afstand worden gehouden en politiewagens ‘reden af en aan’. De politie hielp bereidwillig mee het bezoek en de uitreis in goede banen te leiden. De strandpolitie nam de kinderen van de groep mee naar het strand en naar Madurodam. Het was voor iedereen feest, want volgens Het Vaderland waren het ‘schatten van kinderen’. En ook de volwassenen van de groep waren vriendelijke mensen. Daar viel weinig over te schrijven. Gelukkig hadden ze andere gewoonten en gebruiken waarover de kranten konden schrijven: hoeveel vrouwen had sjeik Daher en hoeveel kamelen en schapen? De Telegraaf meende dat hij ‘een aantal koeien’, vijf kamelen en één vrouw had. Een meer uitgeslapen krant wist dat de sjeik 10.000 kamelen, grote kuddes schapen, een flink huis en een speciaal huis voor gasten bezat. Maar de tenten vielen tegen. Die waren volgens de campingbeheerder gewone Europese bungalowtenten. Eén krant pikte gelukkig nog op dat de sjeik goudstaven bij zich had. Een andere krant had de primeur dat de groep levende kippen kocht en nu op zoek was naar een schaap. Vertrouwde de sjeik toen het vlees in de winkels al niet en haalde hij het liever bij de boer?

De lezer die verdieping zocht kwam niet veel te weten. Geen krant schreef over de politieke achtergrond van de reis en waarom de sjeik speciaal ons land bezocht. De verslaggevers kwamen niet verder dan een oppervlakkig verhaal en gaven soms tegenstrijdige informatie. Had de sjeik zoveel gevoel voor humor en nam hij de journalisten in het ootje? Of deden de tolken hun werk niet goed of schreven de journalisten maar wat? In ieder geval, op 11 juni 1946 vertrok de sjeik, via Duitsland, op weg naar huis. Het emiraat werd uiteindelijk onderdeel van de Verenigde Arabische Emiraten.