< Terug naar archievenoverzicht

Uw zoekacties: Ambachtsgilden en bussen

0376-01 Ambachtsgilden en bussen

Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

beacon
 
 
Inleiding
Deze inventaris is oorspronkelijk in 1958 samen met de inventarissen van de archieven van het College van stadsdoctoren en de Confrerie Pictura in één band uitgegeven.
Vanwege het feit dat dit drukwerk uitverkocht was, is de inventaris van de gilden in 1985 opnieuw uitgetypt. Aan de indeling en nummering is niets veranderd, zodat de oude inventaris ook bruikbaar blijft. Alleen de verwijzingen naar andere archieven zijn aan de toestand anno 1985 aangepast. Ook is het taalgebruik op sommige plaatsen aan het hedendaagse aangepast.
De inventarissen van de archieven van de Stadsdoctoren en Pictura zijn op de studiezaal van het Gemeentearchief te vinden onder respectievelijk bnr. 0488-01 en bnr. 0164-01.
Het jaarboek 1923 van de vereniging "Die Haghe" bevat een plattegrond van de St. Jacobskerk in 1540. De veronderstelling van C.H. Peters dat deze plattegrond de toestand voor de brand van 29 december 1539 weergeeft, wordt bevestigd door een contract van ca. 1543 (bnr. 0350-01, inv.nr. 610, f. 11) waarbij de besturen van de gilden van St. Crispijn en St. Crispiaen, van St. Valentijn en St. Ursula, van St. Christoffel en St. Jop overeenkomen de dienst voort te zetten op het altaar van St. Crispijn en St. Crispiaen, en door een analoog contract (bnr. 0350-01, inv.nr. 610, f. 8v) van het St. Jan en St. Franciscusgilde met het St. Pietersgilde.
Op genoemde plattegrond worden de volgende altaren gevonden:
St. Anna
St. Lucas
St. Anthony
St. Maarten
St. Barbara
St. Maria
St. Catharina
St. Nicolaas
St. Cornelis
St. Obert
St. Cosinas en St. Damianus
St. Quintijn
St. Crispijn
St. Valentijn en St. Christoffel
St. Eloy
St. Pieter
St. Jan en St. Franciscus
Heilige Geest
St. Jacob
Heilige Kruis
St. Joseph
Heilige Sacrament
De Riemer noemt in zijn Beschrijving van 's-Gravenhage, deel I blz. 317, nog andere altaren, o.a. gewijd aan St. Joris en St. Sebastiaan. *  Deze altaren werden verzorgd door broederschappen, gilden. De zuivere religieuze gilden zijn uitvoerig besproken door drs. N.J. Pabon. *  Zij worden evenmin als de schuttersgilden in deze inventaris behandeld. *  Stukken betreffende het St. Sebastiaansgilde bevinden zich in bnr. 0350-01, inv.nrs. 5490-5572. Wij beperken ons tot de ambachtsgilden, verenigingen van bedrijfsgenoten. Deze bleven na de hervorming meestal bestaan. In de 17e en 18e eeuw kwam daar nog een groot aantal bij, gewoonlijk door afscheiding van bestaande gilden.
Politieke betekenis hebben de Haagse gilden niet gekregen. De magistraat hield de teugels in handen door het recht van electie van deken en hoofdmannen, welk recht dateert van het begin van de 16e eeuw. In het oudste keurboek van den Haag staat:
"Van den Hooftmans te kiessen. Alzoe den schout ende gerechte tot huer kennisse gecomen is, als dat int regieren van den gilden groote gebreken vallen, zoe hebben schout ende gerechte gecoert ende geordonneert als dat van nu voirtan ghenne gilden hooftmans hebben en sullen dan alle jairs als zij gewoenlijck zijn die te verstellen, zullen zij achte daghen te voeren comen bij den gerechte ende brenghen denselven gerechte in gescrifte achte persoenen van de gheene die hunluyden duncken zullen dair toe bequaem te weesen omme bij den zelven gerechte uuyte acht te kyesen vier persoenen, die hun duncken zullen dair nut ende bequaem toe te weesen, alleenlijck uuytgesondert die scutters van Sinte Jorys ende van Sinte Bastiaen ende oick onzen Vrouwen gilde; dit al te volbrengen upte bueten van III £." * 
Vele nominaties zijn in het Oud Archief van 's-Gravenhage vanaf 1631 bewaard gebleven. Zij zijn in de afzonderlijke inleidingen vermeld, evenals de opgaven van nieuwe leden door de gilden aan de Magistraat, krachtens resolutie van 3 februari 1750 (bnr. 0350-01, inv.nr. 13, f. 92v) ingezonden, en andere bij de Magistraat ingekomen stukken, meest requesten. Ook de appointementen van de Magistraat (bnr. 0350-01, inv.nrs. 121-141), waarop een klapper vervaardigd is, en de notariële protocollen, welke ten dele geklapperd zijn, bevatten veel gegevens over de gilden.
De Haagse gilden hebben weinig geschiedenis gemaakt. Drs. Pabon heeft het voornaamste reeds medegedeeld. *  Wij volstaan daarom met een relaas van de opheffing van de gilden, waaraan uiteraard voor de archivalia belangrijke consequentie's verbonden waren. De Staatsregeling van 1798 (art. LIII) verklaarde vervallen "alle Gilden, Corporatiën of Broederschappen van Neeringen, Ambagten, of Fabrieken". Het Uitvoerend Bewind der Bataafsche Republiek gelastte bij Publicatie van 5 oktober 1798 alle gilden, corporatiën en broederschappen als bovengenoemd te ontbinden. Ter uitvoering daarvan werd door de Raad van den Haag op 9 oktober 1798 (bnr. 0350-01, inv.nr. 193 f. 168v) een adviescommissie benoemd welke 12 oktober d.a.v. rapport uitbracht (bnr. 0350-01, inv.nr. 193 f. 172). Het rapport werd gesteld in handen van het Comité van Wethouderen om een voordracht van provisionele commissarissen op te maken. Op 14 oktober werd de nominatie goedgekeurd (bnr. 0350-01, inv.nr. 193, f. 172; de tekst in bnr. 0350-01, inv.nr. 624, nr. 71). Gelijksoortige bedrijfstakken werden tot groepen verenigd. Over ieder dezer groepen werden provisionele commissarissen aangesteld. Deze werden gemachtigd alle effecten, gelden, boeken, charters en papieren van de gildebesturen over te nemen. Tevens werd hen opgedragen rapport uit te brengen over de aard en gesteldheid van de gilden en hun fondsen.
Onbeperkte vrijheid van vestiging bleek al snel grote bezwaren op te leveren. De pogingen tot feitelijk herstel van de gilden, in de volgende jaren gedaan, gaan wij voorbij. Zij hebben in de gildearchieven geen neerslag achtergelaten, doch de liquidatie van de gilden vertraagd. Slechts de provisionele commissarissen van de kramers, boekverkopers, uitdragers en het Christallijne gilde hebben de voorschriften behoorlijk uitgevoerd (bnr. 0350-01, inv.nr. 5017). Dientengevolge zijn veel archieven of bestanddelen daarvan onder voormalige gildebestuurders of provisionele commissarissen blijven berusten en daardoor verloren gegaan.
Uiteraard zorgden vele gilden voor hun hulpbehoevende leden en hun weduwen. Sommige gilden bezaten daartoe fondsen: het Goud- en Zilversmidsgilde, het Oudeschoenmakersgilde, het Sint Eloysgilde, het Schippersgilde en het Sint Valentijnsgilde. In enkele gevallen kregen deze fondsen reeds voor 1798 zelfstandigheid (rechtspersoonlijkheid) met name de Sint Eloysbus en de Oudeschoenmakersbus. Alleen de zelfstandige fondsen worden in deze inventaris behandeld; de overige zoeke men bij de archieven van de gilden. *  De stichting van een bus was de aangewezen manier om het gildevermogen aan de confiscatie van 1798 te onttrekken.
Het merendeel van de bussen echter werd gevormd door knechts uit één of meer takken van bedrijf, en door de gemeentewerklieden (turfdragers, boterkruiers), dus buiten verband met de gilden. De oudste bekende bus, de Hoedenmakersknechtsbus, dateert van 1631. Dekens en hoofdmannen werden geëligeerd door de Magistraat, die ook de reglementen vaststelde. De nominaties, voor zover bewaard gebleven, zijn in de afzonderlijke inleidingen vermeld evenals de andere bij de magistraat ingekomen stukken. De fondsen waren niet rijk, hun levensduur was meestal beperkt.
Op 6 november 1818 vroegen Gedeputeerde Staten - op verzoek van de Minister van Binnenlandse Zaken - inlichtingen betreffende nog bestaande gildekassen. De commissie van financiën uit de Raad signaleerde 18 januari daaraanvolgend een inschrijving in het Grootboek der Nationale Werkelijke Schuld groot f. 1.000,- ten name van het weduwenfonds van het Schippersgilde, een dito inschrijving groot f. 700,- ten name van het St. Valentijnsgilde, een inschrijving groot f. 1100,- ten name van de provisionele commissarissen van de Mondbehoeften, en twee zilveren bekers van het Bakkersgilde. Een Koninklijk Besluit van 26 juli 1820, nr. 74 (niet in het Staatsblad opgenomen; zie Luttenberg's Chronologische Verzameling 1820 blz. 120), uitgevaardigd ter bevordering van de liquidatie van de overgebleven fondsen en verdere bezittingen van de gilden, schreef provisionele commissarissen voor binnen drie maanden verantwoording van hun beheer af te leggen en alle gilde-eigendommen ter beschikking van het gemeentebestuur te stellen om tot onderstand van hulpbehoevenden in de gemeente gebruikt te worden. Bij raadsbesluit van 8 september werd de commissie van financiën opgedragen advies uit te brengen. Daarna wordt niets meer vernomen!
In 1877 verzochten Gedeputeerde Staten een opgave van de nog bestaande gildefondsen. Het antwoord van 30 juli vermeldt alleen de Zilversmidsbus. De overdrachtprocedures van 1798 en later hebben niet voldoende effect gehad om als grondslag voor de ordening van de gildearchieven te kunnen dienen. Van het merendeel van de archivalia van gilden en bussen is niet bekend wanneer zij zijn overgedragen. Van enige stukken is het zelfs twijfelachtig of zij werkelijk archiefstukken zijn. In het verleden zijn de gildearchieven als een collectie beschouwd en als zodanig behandeld. In enkele gevallen kon een onjuiste plaatsing ongedaan gemaakt worden; sommige stukken werden overgebracht naar oud-archief of bibliotheek, en omgekeerd.
Om deze redenen zijn de gilden en daarna de bussen in alfabetische volgorde behandeld. *  Ter verhoging van de bruikbaarheid van de "inventaris" zijn tevens bijzonderheden vermeld van gilden en bussen waarvan geen archivalia bekend zijn. Archivalia welke elders berusten zijn zonder volgnummer opgenomen.
Voorschriften voor het overdragen van bus-archieven aan het gemeentebestuur bestaan niet; min of meer toevallig zijn enige archivalia in de archiefbewaarplaats terechtgekomen.
De voorwerpen in het Gemeentemuseum zijn genummerd volgens de "Catalogus der Geschied- en Oudheidkundige Voorwerpen van het Gemeentemuseum van 's-Gravenhage" door A.J. Servaas van Rooyen, 3e druk, 1908.
In het Gemeenteverslag voor 1902 werd de ordening van de "rubriek" Gildewezen aangekondigd, doch deze werd evenmin als de inventaris, waaraan van 1913 tot 1915 werd gewerkt, voltooid.
Inventaris

Kenmerken

Datering:
(1392) 1463-1808
Beschrijving:
Inventaris van de archieven van de ambachtsgilden en de bussen in 's-Gravenhage
Omvang in m¹:
3
Auteur:
Mr. J.E.J. Geselschap en R. Grootveld
Openbaarheid:
Geheel openbaar
Archiefvormer(s)::
Gevonden archiefstukken
Uw zoekterm komt voor in de titel en/of de kenmerken van deze archieftoegang.