< Terug naar archievenoverzicht

Uw zoekacties: Adviescommissie voor het verkeer Den Haag

0613-01 Adviescommissie voor het verkeer Den Haag

Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

beacon
 
 
Inleiding
Geschiedenis van de instelling

Al voor 1930 vond in Den Haag regelmatig overleg plaats tussen verschillende hoofden van diensten over verkeersaangelegenheden. Deze 'Verkeersconferentie' was ingesteld op initiatief van de toenmalige directeur van de dienst der Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting, Ir. P. Bakker Schut. Naast hem hadden in deze conferentie zitting: de directeur van Gemeentewerken, de directeur van Gemeenteplantsoenen, de hoofdcommissaris van Politie en de directeur van de N.V. Gemengd Bedrijf Haagse Tramweg Mij.; later namen ook de directeuren van het Gemeentelijk Bouw- en woningtoezicht en van het Gemeentelijk Electriciteits-Bedrijf aan het overleg deel.

Nadat de betrokkenen in februari 1931 het college van burgemeesters en wethouders (b. en w.) op de hoogte hadden gesteld van het bestaan van de 'Verkeersconferentie' ging het college er toe over het advies van de conferentie in te winnen, waarmee feitelijk het bestaan van de 'Verkeersconferentie' werd erkend.

De verdienste van dit overlegorgaan was vooral gelegen in het feit, dat door coördinatie van de verschillende bemoeiingen met stadsuitbreiding, straataanleg, verkeersverbetering, openbaar vervoer enz. het gemeentebelang op de meest doelmatige wijze werd gediend.

Mede in verband met de reorganisatie van de dienst der Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting in 1949 werd de samenstelling van de 'Verkeersconferentie' enigszins gewijzigd. De hoofddirecteur van de dienst van de Wederopbouw en Stadsontwikkeling volgde de directeur van de voormalige dienst der Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting op als voorzitter en de directeur van de dienst voor het Gemeentelijk Grondbedrijf trad als achtste lid tot de conferentie toe.
Nadat de conferentie in deze samenstelling een jaar had gewerkt rees bij het college van b. en w. twijfel over de vraag of verkeersaangelegenheden wel op de meest spoedige en efficiënte wijze werden behandeld. Het college meende kennelijk van niet, want in augustus van 1950 werd door het college naast de 'Verkeersconferentie', een Verkeerscommissie ingesteld, bestaande uit de hoofddirecteur van de dienst van de Wederopbouw en Stadsontwikkeling(voorz.), de hoofdcommissaris van de politie, de directeur van Gemeentewerken en de directeur van de Haagse Tramweg Mij. Deze commissie telde minder leden dan de 'Verkeersconferentie' en kwam vaker bijeen; daardoor hoopte het college van b. en w. een slagvaaridger verkeersbeleid te kunnen voeren. Slechts in het geval er geen eenstemmigheid in de commissie zou zijn, zouden de vraagstukken aan de 'Verkeersconferentie' worden voorgelegd. In augustus 1950 werd de burgemeester voorzitter van de 'Verkeersconferentie', die daarna nog slechts eenmaal bijeen is geweest.
Begin 1951 ontstond een geheel nieuwe situatie. In mei besloot de gemeenteraad tot een tijdelijke delegatie aan het college van b. en w. van de bevoegdheid tot het treffen van de verkeersmaatregelen, genoemd in art. 4 van het Wegenverkeersreglement. Voorts drong de raad aan op uitbreiding van de ambtelijke verkeerscommissie met vertegenwoordigers van particuliere verkeersorganisaties. Onder de naam 'Commissie van Advies voor het Verkeer' (in het spraakgebruik 'de adviescommissie voor het verkeer', afgekort ACV) werd een commissie ingesteld waarin naast de hoofddirecteur van de dienst van de Wederopbouw en Stadsontwikkeling (voorz.), de hoofdcommissaris van Politie, de directeur van de dienst Gemeentewerken, en de directeur van de Haagse Tramweg Mij zitting hadden: vertegenwoordigers van de Kon. Nederl. Automobiel-Club, de Kon. Nederl. Toeristenbond, de ANWB, de Kon. Nederl. Motorrijders-Vereniging, alsmede een vertegenwoordiger van de Vereniging voor Veilig Verkeer te 's-Gravenhage. Op aandrang van de raad werd voorts een vertegenwoordiger van de beroepschauffeurs toegevoegd (in de jaren 1957-1958 kwamen daar nog bij de directeur van het Gemeentelijk Electriciteits-Bedijf, de directeur van Gemeenteplantsoenen en een vertegenwoordiger van de Nederl. Vereniging voor de Bescherming van Voetgangers). Daarmee telde de commissie zes ambtelijke tegenover zeven niet-ambtelijke leden.
Het secretariaat van de adviescommissie was in handen van de dienst van de Wederopbouw en de Stadsontwikkeling, vanaf 1962 van de afdeling Verkeersaangelegenheden van de dienst Stadsontwikkeling.

Vrijwel gelijktijdig met instelling van de commissie van advies werd uit de gemeenteraad nog een 'Raadscommissie van bijstand voor de verkeersaangelegenheden' benoemd.

De adviescommissie voor het verkeer moet worden beschouwd als een commissie van deskundigen, die zowel adviezen gaf aan het college van b. en w. als aan de raad (de raadscommissie van bijstand). Met uitzondering van kwesties van geringe betekenis werden alle verkeersaangelegenheden door het college van b. en w. aan de adviescommissie voorgelegd. Het stond de vertegenwoordigers van de particuliere verkeersorganisaties vrij om eigener beweging door hen wenselijk geachte voorstellen in de commissie aanhangig te maken.

In 1964 werd de commissie opgeheven en vervangen door een werkgroep voor verkeersaangelegenheden. Deze werkgroep liet zich bijstaan door de bij de verkeersaangelegenheden betrokken hoofdambtenaren en eventueel door andere deskundigen.

Geschiedenis van het archief

Het archief werd in 1981 overgebracht van de Dienst Stadsontwikkeling Grondzaken naar het Gemeentearchief. In totaal is 5,1 m bescheiden uit de periode 1951-1961 overgebracht, waarvan 0,10 m dubbelen zijn vernietigd.

Voor zover de stukken jonger zijn dan dertig jaar zijn zij niet ter inzage zonder machtiging van het college van b. en w.

Het archief is niet volledig. Veel stukken (waaronder indicateurs) bevinden zich nog bij SOGZ. De stukken zijn geborgen in dossiers van het nog over te brengen deel van het archief van de dienst Wederopbouw en Stadsontwikkeling (WOSO).

In het reeds overgebrachte deel va n het archief van de dienst Wederopbouw en Stadsontwikkeling, 1945-1962 bevinden zich in de rubriek 'verkeer en vervoer' (niet oorlogsschade-dossiers) eveneens enkele brieven ingekomen bij directeur Bakker Schut als voorzitter van de 'Adviescommissie'. Meer nog bevatten de dossiers exemplaren van circulaires e.d. uitgegaan van de 'Verkeersconferentie' aan de leden van de Adviescommissie.
Plaatsingslijst
52 Stukken betreffende het opstellen van een rapport met betrekking tot de in 1952 gehouden garagetelling, 1952-1953
0613-01 Adviescommissie voor het verkeer Den Haag
Plaatsingslijst
52
Stukken betreffende het opstellen van een rapport met betrekking tot de in 1952 gehouden garagetelling, 1952-1953
Datering:
1952-1953
Uiterlijke vorm:
1 omslag

Kenmerken

Datering:
1951-1964
Beschrijving:
Plaatsingslijst van het archief van de Adviescommissie voor het verkeer van de gemeente Den Haag
Omvang in m¹:
5,125
Auteur:
S.V. Noot
Openbaarheid:
Geheel openbaar
Archiefvormer(s):